Complexiteit oplossen, Leren en verbeteren

Het woord aan…

In de serie het woord aan… worden we meegenomen in persoonlijke verhalen en/of krijgen wij advies. Kinderen en ouders delen hun ervaringen met goede en minder goede zorg. Welke momenten daarin het verschil maken en wat ze ons willen meegeven.

Hieronder lees je het verhaal Feest, geschreven door een moeder.

  • Vragen of opmerkingen naar aanleiding van dit verhaal? Of wil je erover doorpraten? Reageer onder het stuk.
  • Of heb je ook een verhaal dat je hier of met ons wilt delen? Neem dan contact met ons op: zorgvragen@vng.nl.
  • Ter informatie: deze casus is geanonimiseerd. Namen zijn veranderd en soms is niet alles beschreven, om te voorkomen dat deze informatie te herleiden is naar de persoon.

Feest

Het is vrijdagmiddag 14.15 uur. Ik loop rond in een speeltuin met zes kleuters, omdat onze jongste, Tom, zijn kinderfeestje viert. Hij is 6 geworden. Dan gaat mijn telefoon. Het is Sia: “Mama, wil je me alsjeblieft komen halen?”. Op mijn vraag waar hij is, antwoordt hij dat hij dit niet weet. “Ben je niet op Mera?” Dit is de GGZ-instelling waar hij is opgenomen. Nee, daar is hij niet. Hij vertelt dat hij zijn hoofd niet op kan tillen, want dan moet hij overgeven. Ik vraag hem of hij zijn fiets bij zich heeft en of er iemand bij hem is. Ondertussen til ik twee kinderen van de schommel af, omdat ze naar de kabelbaan willen.  Ja, Dirk is daar ergens, maar hij weet niet waar. Hij weet ook niet waar zijn fiets is. Dan vertelt hij me dat hij op een bankje zit bij de Aldi. Of ik hem alsjeblieft wil halen. Ik zeg dat ik Mera bel. Ik kan hier niet weg.

Ik bel Mera en vraag of ze weten waar Sia is. “Ja, die is al meer dan anderhalf uur geleden de deur uitgelopen. Hij wilde niet zeggen wat hij ging doen. Hij zal wel bij het restaurant zijn.” Ik leg uit dat hij bij de Aldi op een bankje zit en dat het niet goed met hem gaat. “Willen jullie hem ophalen? Ik zit zelf met zes kleuters in de speeltuin.” Dit lukt hen niet. “We kunnen hier echt niet weg. Het is druk en we staan al met te weinig.”

Ik bel Sia terug. Hij kan zich niet bewegen en moet steeds overgeven. Ondertussen komen bij mij gelukkig de eerste ouders hun kinderen ophalen van het feestje. “Ja, het was reuze gezellig! Doen we zeker nog eens.” “Nee, geen gedoe, ze waren super lief. Ik loop met jullie mee. Vanavond een slaapfeestje thuis van één van de andere kinderen. Om half 6 staan er 5 pre-pubers voor de deur.”

Ik race met Tom achterin de auto richting Aldi. Ondertussen bel ik met oma. Die is ook onderweg naar de Aldi; op de fiets. Mera had gevraagd of zij Sia wilde ophalen. Ik zeg haar dat ze terug kan naar Mera en rij zelf naar Sia toe. Daar zit hij. Nou ja, eigenlijk ligt hij meer. In zijn eigen kots. Op een bankje. Er lopen mensen langs die afkeurend naar hem kijken. Niemand doet iets.

Ik parkeer mijn auto op de stoep. “Is Sia ziek?” Vraagt Tom. “Ja lieverd, Sia is een beetje ziek”, antwoord ik. Na ongeveer 15 minuten lukt het me Sia overeind te krijgen en in de auto te zetten. Met een plastic tas op schoot, waar hij inmiddels al twee keer in heeft overgegeven. Zijn vriend Dirk had hem gebeld om mee te gaan blowen. Dirk was ondertussen weg. Zijn fiets? Ergens in de buurt. Daar kun je niet met de auto komen. We rijden naar Mera. Sia met zijn hoofd tegen het raampje dat iets openstaat. Tom achterin met zijn nieuwe cadeautjes. Vooral met zijn krabbenhengel is hij blij. Hij hengelt een pakje bubblegum van de achterbank. “Kijk eens mama, je kunt met deze krabbenhengel ook bubblegum ophengelen.”

Ik loop woedend, verdrietig en met een rugzak aan ongeloof binnen bij Mera. Er is niemand. Na ongeveer 5 minuten komt er een begeleider aan. Ik voer een gesprek zoals zo vaak en loop uiteindelijk nóg bozer en verdrietiger naar buiten. Naar de psychiater, want die moet volgens de begeleider zeggen of Sia hier moet blijven of naar huis mag. Alsof ik dat als moeder niet kan beslissen.

Gewapend met mijn moederinstinct wals ik het gebouw binnen. Ik wil eigenlijk in één streep doorlopen naar zijn kantoor, maar mijn beleefdheid wint het van mijn instinct. Blijkbaar hebben delen van mijn hersenen zich wel ‘uitermate juist’ en ‘volgens de norm’ ontwikkeld. In dit geval voor iedereen beter. De receptionist weet mij te vertellen dat Jacob, zo noem ik de psychiater inmiddels omdat mijn respect voor gezag op dit moment de benen heeft genomen, in gesprek zit. Nadat ik haar vertel dat ik hem nu wil spreken omdat ik net mijn zoon, die een Rechtelijke Machtiging (RM) heeft, uit zijn eigen kots van straat heb moeten plukken, loopt ze naar zijn kantoor. Binnen een minuut krijg ik te horen dat ik door mag lopen.

Ik vertel Jacob dat ik kotsmisselijk ben van het slappe geouwehoer hier. En dat ik pisnijdig ben dat mijn zoon hele dagen op bed ligt en vanmiddag zelfs in zijn eigen kots op straat. Wat zijn begeleiders doen? Die hebben geen tijd om hem te halen. Niet uit zijn bed en ook niet uit zijn eigen kots op straat. “Het is inderdaad wel heel erg druk momenteel op te afdeling”, weet Jacob mij te vertellen. Hij gaat verder: “Maandag willen we bespreken of we nog sneller gaan opbouwen met naar huis gaan of dat we de structuur nog strenger gaan neerzetten en de deur op slot doen.” Ik geef aan dat ik Sia in zijn bed wil leggen bij Mera en dat ik hem ophaal als hij zich beter voelt. “Ik verwacht hierbij dat er begeleiding is voor Sia.” Hier wint mijn instinct het van mijn beleefdheid.

We lopen naar de auto. Daar ligt Sia. We nemen hem mee naar zijn bed. Hij krijgt een glaasje cola naast zijn bed op een stoel. En een emmer. Op de grond. Even heb ik het gevoel dat ze van hem houden. Van mijn Sia. Ik laat hem met een goed gevoel achter. Ik zeg dat ik over een uur bel om te vragen hoe het met hem gaat. Zodra het beter gaat mag oma hem ophalen. Daar zou hij al heen gaan. Wij hebben dat slaapfeestje thuis. Over anderhalf uur staan ze met slaapzakken en matjes voor de deur.

Na een uur bel ik de afdeling. Vier keer. Vier keer wordt er niet opgenomen. Ik bel naar de receptie. De dame neemt op. Ik vraag of ze weet waarom er niemand opneemt bij huis Groen. Ze heeft geen idee. Ik leg uit dat mijn kind daar in een bed ligt en zich een uur geleden nog erg slecht voelde. En dat ik zou bellen. Ze gaat het even navragen. Ik word teruggebeld door Erik. “Hoi Erik, hoe is het met Sia?” Dat weet hij niet. Hij staat niet op Groen. Hij is net naar Groen gelopen, omdat de receptie hem dat vroeg. Hij denkt wel goed, want Sia gaat net wat te eten maken. Erik wist niet dat ik zou bellen. Hij heeft ook geen telefoon van Groen bij zich. De begeleiders zijn naar huis. Het bloed zakt uit mijn hoofd weg naar mijn tenen. Ik ga even zitten. En ook direct weer staan. Tranen stromen over mijn gezicht. Oma komt naar Mera. Ze neemt Sia mee naar haar huis. Ik luister naar Erik. Ik hoor zijn stem, maar zijn woorden komen niet echt meer binnen. Ik zet de limonade en de cakejes buiten klaar op tafel. Niet de slagroom vergeten. Zes bordjes tel ik. En zes bekers. Het feest kan beginnen.

Ook interessant