Complexiteit oplossen, Leren en verbeteren

‘Wanneer iedereen zich terugtrekt, komen we er niet’

Inzetje boven: Otwin van Dijk, burgemeester Oude IJsselstreek. Onder: Bija Westerhof-Hop, directeur ’s Heeren Loo Groot Emaus.

Om de jeugdhulp te verbeteren moeten we voortdurend blijven leren en evalueren. Eind oktober zat OZJ onder andere met Otwin van Dijk (burgemeester Oude IJsselstreek) en Bija Westerhof-Hop (directeur ’s Heeren Loo Groot Emaus) rond de tafel om de casus rondom een meisje met complexe problemen te bespreken. 

TEKST: redactie

Het meisje uit de besproken casus is al jaren cliënt van jeugdhulp. Ze heeft een combinatie van problemen. Tijdens de zoektocht naar de juiste plek worstelde iedereen ermee dat geen enkele zorginstelling het idee had dat het écht antwoorden kon bieden op de hulpvraag van het meisje. Daarnaast bleek het organiseren van een maatwerkoplossing ingewikkeld. Dat kwam onder meer door de verschillende talen die de instellingen spraken en het feit dat ze het moeilijk vonden buiten de kaders denken. De lessen die voorbijkwamen in deze zoektocht waren reden voor evaluatie. Maar wat verandert er daardoor in de praktijk?

‘We gaan deze ruimte niet uit voordat deze casus is opgelost’

Gezamenlijke uitdaging

‘Het creëren van onderling vertrouwen was voor ons als gemeente een van de twee belangrijkste punten in de evaluatie’, vertelt Otwin van Dijk. ‘Een grote frustratie bij deze casus was in het begin voor mij het feit dat geen enkele aanbieder de vraag van dit meisje echt oppakte. Er was veel duikgedrag. De zorgvraag was veel te zwaar voor de regionale zorgaanbieder. Die kon het meisje niet meer helpen. Maar wie wel? Noodoplossingen en deadlines wisselden elkaar in rap tempo af. Voor het meisje en haar moeder betekende dat constant veel extra spanning. We zijn toen bij elkaar gekomen en hebben gezegd: ‘We gaan deze ruimte niet uit voordat deze casus is opgelost.’ Uiteindelijk hebben we vier uur in mijn kamer gezeten, terwijl we het over de diagnose binnen een half uur tot drie kwartier eens waren. Maar toen kwam de vraag: wie gaat de vraag van dit meisje beantwoorden? Het verantwoordelijkheidsgevoel ontbrak naar mijn mening bij de aanbieders, niemand voelde zich primair verantwoordelijk. Uiteindelijk hebben wij als gemeente aangegeven dat wij de oplossing zouden financieren, wat het ook kostte. Opvallend genoeg durfden veel aanbieders er niet op te vertrouwen dat wij dit ook daadwerkelijk zouden gaan doen. Dit is wel echt een punt dat ik meeneem: dat je elkaar moet leren vertrouwen. Dat als je zegt dat dit goedkomt, dat je dit ook echt -sámen -waar moet maken.’

Bija Westerhof-Hop noemt als specialist in de regio aansluiting bij reguliere zorgcollega’s als een belangrijk leerpunt. ‘Ik ben niet altijd in staat om aan te sluiten bij hen, omdat we kinderen uit het hele land behandelen. Ik denk dat het helpt als je al eerder in het traject kan aansluiten met specialistische kennis. Het heeft mij wel iets gedaan dat in dit geval één organisatie vanuit verantwoordelijkheidsgevoel veel en veel te lang is doorgegaan. Collegiaal had ik dat eerder willen zien om ze daarbij te kunnen helpen. Een tweede leerpunt is de vraag waar wij van zijn binnen ’s Heeren Loo en hoe wij dat met elkaar vormgeven. Het gaat daarbij om de interne cultuur. Hoe werken we bijvoorbeeld samen? Wanneer trek je waar aan de bel wanneer je er niet uitkomt met een regionale hulpvraag bij een collega aanbieder?’

‘Wanneer iedereen zich terugtrekt in zijn schuttersputje komen we er niet’

Leren verleden

Het verleden speelt volgens Bija soms een zichtbare rol. ‘Otwin schetst dat hij gelooft dat gemeenten gaan betalen. Ik geloof hem graag, maar, ik ben ook nog steeds met bekostiging van casuïstiek uit 2015/2016 bezig. Ervaringen uit het verleden die moet je niet wegpoetsen, daar moet je het wel met elkaar over hebben. Anders blijven ze zich aandienen als het spannend wordt.’

Essentieel is dat evaluatie leidt tot leren en verbeteren. Hoe pakken organisaties dat op? Volgens Bija wordt na een evaluatie gekeken wat er opgehaald is en wat de ervaringen zijn. ‘We geven er betekenis aan en organiseren een leercyclus waarbij we voortdurend afspreken wat we op welk niveau leren. Zo pragmatisch is het. De context is hierbij van belang. We moeten onafhankelijk kunnen leren maar moeten het ook in verbinding doen. Kortom, we hebben een leercyclus met wat leren we, wat zijn verbeteracties en hoe gaan we deze uitvoeren. Dat gebeurt niet alleen, ook partners worden daarbij betrokken. Ik vind zelf dat ik als zorgaanbieder daar een verantwoordelijkheid in heb, maar ik ben soms van anderen afhankelijk om de leercyclus rond te maken, ook in de dingen die we afspreken.’ Otwin vult aan: ‘Wanneer iedereen zich terugtrekt in zijn schuttersputje, denkt dat hij/zij het wel goed gecontracteerd heeft en vervolgens de vragen over de schutting gooit bij de aanbieder, komen we er niet. We moeten willen leren. En dat vraagt kwetsbaarheid, waarbij mensen kritisch reflecteren op hun eigen rol en dingen die niet goed zijn gegaan.’

‘Uit onze eigen analyse van kosten bleek echter dat 54% van de kosten bij onszelf als gemeente vandaan kwam, terwijl wij maar een derde van de indicaties afgaven’

Kosten gemeente

Ook op systeemniveau speelt dit een rol. ‘Toen wij 1,5 tot 2 jaar geleden geconfronteerd werden met heel veel tekorten in het sociaal domein dacht ik: ach, dat komt natuurlijk doordat we als gemeente op de GI’s en huisartsen geen grip hebben. Zij morgen ook indiceren en de kosten zijn voor ons als gemeente. Dus zij moeten leren en daarop aangesproken worden’, vertelt Otwin. ‘Uit onze eigen analyse van kosten bleek echter dat 54% van de kosten bij onszelf als gemeente vandaan kwam, terwijl wij maar een derde van de indicaties afgaven.’

Hoe kon dit? ‘Later bedacht ik mij dat huisartsen al heel lang gewend zijn om als poortwachter in de zorg te dienen en zelf lichte vormen van zorg te verlenen. Om naar de huisarts te gaan heb je bovendien ook geen indicatie nodig, dus waarom hebben we dat dan als gemeente wel zo ingericht? Naar aanleiding hiervan zijn wij gestopt met gemeentelijke indicatiestellers en hebben we met een zorgpartijen afgesproken dat zij onze ‘huisartsen bij jeugd’ zijn. Zij verlenen de eerste vorm van zorg en zijn poortwachter voor de tweede lijn. We hebben een contract afgesloten voor vijf plus vijf jaar. Tien jaar dus. In die tijd kun je als partners samen transformeren, zonder al die gekke aanbestedingen tussendoor die alleen maar afleiden. We doen wat écht nodig is. Ik weet nog dat sommige mensen mij destijds bijna voor gek verklaarden, omdat we dan helemaal geen grip meer zouden hebben. Gelukkig steunt de gemeenteraad deze beweging. Soms moet je een beetje omdenken. En wat bleek: binnen 1,5 jaar was ons miljoenentekort weggewerkt. Wij komen nu gewoon grotendeels uit met het geld dat we van het Rijk krijgen, terwijl geen buurthuis gesloten is, er drie jongerenwerkers zijn bijgekomen en niemand klaagt over de verschraling van de jeugdzorg.’

Otwin zegt geleerd te hebben ‘dat willen leren gaat over je kwetsbaar op durven stellen. Maar ook jezelf vragen blijven stellen: misschien doe ik of doen wij het zelf wel niet goed? En aannames van jezelf en anderen kritisch bekijken: zijn de aannames die ik heb over die ander wel kloppend? We zitten in een enorm speelveld met aannames, waarbij we eigenlijk zelden weten hoe het écht zit.’

‘Of we doen het samen of we doen het niet’

Bewijsplicht

Bija vertelt dat haar organisatie onder meer aanloopt tegen cultuurverschillen, die samenwerking moeilijk maken. ‘Daar kun je ingewikkeld over doen, maar daar moet je wel gewoon contact over maken. Je moet aan de voorkant zeggen: ‘Wij vinden dit van belang voor kinderen, hoe doen wij dat samen?’ en daarna ga je van start. Wij hebben meegedaan aan een aanbesteding in Utrecht die elf maanden heeft geduurd. Wij hebben vanaf het begin gezegd: of we doen het samen of we doen het niet. Dit hebben wij als aanbieders afgesproken, maar de gemeenten ook. Dus wij ontmoetten elkaar op het willen samenwerken en willen leren. De rol van ervaringsdeskundige ouders en jongeren hierin vond ik erg mooi. Zij hebben aangegeven wat anders kan en moet, maar ook wat er al wel werkt. Dat maakte dat de Utrechtse gemeenten iets genuanceerder zijn gaan kijken naar zo normaal mogelijk, omdat soms omgeving met opname bij een aanbieder beter is voor een kind.’

 

‘We hebben een bewijsplicht, we kunnen niet meer blijven vragen om geld’

Ook op landelijk niveau wordt geleerd, bijvoorbeeld in de commissie jeugd van de VNG, aldus Otwin. ‘Vorige week is het SCP-rapport Sociaal Domein Op Koers uitgekomen en dat heeft niet het succes van de decentralisatie benadrukt. Het baart mij persoonlijk wel zorgen dat mensen op sommige plekken zeggen dat er weer meer gecentraliseerd moet worden. Ik geloof zelf nog steeds hartstochtelijk dat het enige niveau waarop we kinderen, maar ook ouderen en mensen met een arbeidshandicap, kunnen helpen het lokale niveau is. Maar ik vind wel dat we een bewijsplicht hebben. We kunnen niet meer blijven vragen om alleen maar extra geld. Dan snap ik dat Den Haag op een gegeven moment zegt: ‘Als het zoveel geld kost en je levert ook nog eens niet de gewenste kwaliteit, dan gaan we het zelf wel weer doen.”

Bija vult aan: ‘Ik denk dat ik voor meerdere aanbieders spreek als ik zeg dat ook wij willen dat de transformatie doorgaat. Alleen, het pijnpunt is dat je ziet dat teveel geld en tijd uiteindelijk niet bij het daadwerkelijke kind terecht komt. Dat maakt dat we soms denken: “Onmogelijke opdracht, laten we maar weer teruggaan naar de centralisatie. Terwijl als je ons vraagt wat je écht voor het kind wil, we nóg verder willen decentraliseren, maar wel met korte en snelle lijnen in een sluitende en financieel dekkende keten voor ieder kind. Dat vraagt actie.’

Ook interessant